Gewassen
bevinden zich continue in de gevarenzone. Het zijn de hardnekkige
schimmels, vernietigende insecten en alles overwoekerend onkruid
die de gewassen de nek om kunnen draaien. Gewasbeschermingsmiddelen
geven deze ziekten en plaaggeesten geen kans.
Goed en gezond voedsel
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen zowel van natuurlijke als kunstmatige
(synthetische) chemische oorsprong zijn. Ze beschermen de gewassen
en zorgen ervoor dat het voedsel voor de consument goed en gezond
is, goed eruitziet en langere tijd bewaard kan worden. De gewasbeschermingsindustrie
is erg innovatief. Steeds wordt onderzocht hoe het beter en veiliger
kan: voor het gewas, de mens en het milieu. Zo zijn de meeste
middelen nu ook werkzaam in lagere doseringen en sneller afbreekbaar
in het milieu. Ook zijn de middelen veiliger voor nuttige of in
de natuur voorkomende insecten en organismen.
Om
iedereen voldoende, gevarieerd en gezond voedsel te kunnen garanderen.
De wereldbevolking groeit namelijk elke dag met 200.000 personen.
Als de gewassen niet beschermd worden tegen plagen, onkruiden
en ziekten, zou 30-40% van ons voedsel verloren gaan. Gewasbeschermingsmiddelen
zijn dus broodnodig.
Ontwikkelde landen
Voor de ontwikkelde landen geldt dat we juist dankzij de gewasbeschermingsmiddelen
kunnen profiteren van de enorme keuze, constante aanvoer en hoge
kwaliteit voedsel tegen de huidige prijzen. Precies zoals we gewend
zijn en het willen! Niettemin wil de consument zo min mogelijk
resten van middelen in het voedsel. Het is dus belangrijk hier
een evenwicht in te vinden.
Goed voor gezondheid
Maar wat veel mensen niet weten, is dat gewasbeschermingsmiddelen
de gezondheid van mensen juist ten goede kan komen. Ze verlagen
namelijk het niveau van giftige stoffen afkomstig van schimmels
en bacteriën in voedsel. Hierdoor neemt het aantal voedselvergiftigingen
af. Nog een feit: in sommige gevallen verhogen ze de voedingswaarde
van voedsel. Zo kan een gewasbehandeling tegen schimmels het eiwitgehalte
van graangewassen verbeteren. Goed voor de gezondheid van veel
mensen!
Hoge kwaliteit
Verder zorgen de middelen ervoor dat we gewassen met een hoge,
constante kwaliteit kunnen oogsten. Dat wil zeggen: onbeschadigd,
zonder insecten en met weinig afval. En dit is wat consumenten,
voedselverwerkende bedrijven en supermarkten willen. Ook verlengen
gewasbeschermingsmiddelen het aanvoerseizoen van veel gewassen
en de houdbaarheid van voedsel. Dit betekent dat de consument
alle maanden van het jaar veel keus heeft en minder hoeft weg
te gooien. Deze rol in de voedselhygiëne plus het voorkomen van
besmetting door knaagdieren, vliegen en andere insecten, maken
gewasbeschermingsmiddelen belangrijk voor de voedselveiligheid
en gezondheid.
Voldoende voedsel
Wat niet iedereen weet, is dat gewasbeschermingsmiddelen tegenwoordig
verantwoord worden gebruikt in geïntegreerde teelt (Integrated
Crop Management, ICM). Dit vormt de basis voor duurzame landbouw.
Gewasbeschermingsmiddelen zijn van cruciaal belang om schaarse
hulpbronnen zoals grond, water en werk zo optimaal mogelijk te
benutten. Zonder gewasbeschermingsmiddelen zouden wij veel minder
goed erin slagen voldoende voedsel (voor iedereen) van goede kwaliteit
te produceren. En dat is van wereldbelang!
Stel, je spuit een gewasbeschermingsmiddel
op het gewas… Na enige tijd wordt het middel afgebroken door natuurlijke
processen zoals zonlicht, regen en de gewassen zelf. Soms wordt
een gewas geoogst voordat het natuurlijke afbraakproces klaar
is. Hierdoor kunnen resten (residuen) van een middel in het gewas
achterblijven.
Residuen
Residuen bestaan uit het oorspronkelijke chemische middel of uit
afbraakproducten (metabolieten). Gelukkig kunnen we dankzij de
moderne technologie heel nauwkeurig meten hoeveel van het middel
is achtergebleven. We kunnen concentraties van ver beneden de
wettelijke normen vaststellen. EU Residumonitoring (2002) in vers
en verwerkt voedsel laat zien dat 95% van het voedsel voldoet
aan de wettelijke residunormen. 58% van het voedsel bevat zelfs
helemaal geen meetbare residuen. Wanneer residuen de wettelijke
norm overschrijden, kan dit betekenen dat een gewasbeschermingsmiddel
niet correct gebruikt is. De gebruiksaanwijzing is bijvoorbeeld
niet opgevolgd. Iets dat eenvoudig te voorkomen is!
“Alle stoffen zijn giftig
en niets is zonder gif; alleen de hoeveelheid bepaalt het
verschil tussen een gif en een medicijn.” Paracelsus 1493-1541. |
Weet u dat gewasbeschermingsmiddelen tot
de best onderzochte en meest wettelijk gereguleerde chemische
producten ter wereld behoren? Ze worden met dezelfde intentie
onderzocht als medicijnen. Hoe dit gebeurt, leest u hier en op
de volgende pagina’s.
Uitgebreid onderzocht
Voordat gewasbeschermingsmiddelen daadwerkelijk gebruikt kunnen
worden, moeten ze eerst zijn ‘toegelaten’, zoals dat heet. Dit
houdt in dat een onafhankelijke, bevoegde overheidsinstantie alle
middelen uitputtend onderzoekt en beoordeelt. Een middel kan alleen
gebruikt worden wanneer de veiligheid voor mens, dier en milieu
kan worden gegarandeerd. Pas als het middel is toegelaten (en
dus veilig is bevonden), mag het verkocht en gebruikt worden.
Transparante procedure
In
Nederland doet het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen
(CTB) de toelatingsprocedure. Het is een onafhankelijke procedure
die volledig transparant is voor het publiek. De procedure is
erg uitgebreid en grondig. Het middel wordt onderworpen aan een
uitputtende reeks onderzoeken om risico’s voor de gezondheid van
de mens en het milieu te kunnen vaststellen. Het standaardonderzoek
om een gewasbeschermingsmiddel toe te laten, omvat meer dan 120
studies. De duur van deze studies varieert van een maand tot vijf
jaar. Het totale onderzoeks- en ontwikkelingstraject van een gewasbeschermingsmiddel
kan daardoor wel acht jaar in beslag nemen!
Zekerheid voor consument
Als consument weet je dus zeker dat de gewasbeschermingsmiddelen
die nu gebruikt worden, van alle kanten getest zijn op veiligheid
voor de gezondheid van mensen, dieren en het milieu. Anders zou
het middel níet toegelaten zijn.
Om vast te stellen of een gewasbeschermingsmiddel veilig in de
praktijk te gebruiken is, voeren de bevoegde overheidsinstanties
(in Nederland het CTB) een risicobeoordeling voor de gezondheid
uit. Deze beoordeling bestaat uit drie hoofdelementen:
Bepalen van de gevaareigenschappen
van het gewasbeschermingsmiddel en vaststellen van een gezondheidskundig
toelaatbaar geachte grenswaarde (oftewel gezondheidsnorm).
Om te bepalen in welke mate een gewasbeschermingsmiddel schadelijk
is voor de mens, wordt een groot aantal studies uitgevoerd. Deze
bestuderen alle relevante gezondheidsrisico’s (waaronder kanker
en effecten op de voortplanting). De uitvoering gebeurt onder
toezicht en volgens internationaal erkende richtlijnen die overheden
hebben vastgelegd.
Wanneer uit de studies blijkt dat er van een blootstellingsniveau
geen nadelige effecten gevonden zijn, wordt dit aangeduid met
‘No Observed Adverse Effect Level’ (NOAEL). De gezondheidsnorm
wordt bepaald door een veiligheidsfactor van tenminste 100 toe
te passen op de laagst gevonden NOAEL. Dit wordt bij chronische
(langdurige) blootstelling de Acceptabele Dagelijkse Inname (ADI)
genoemd. Bij acute (korte) blootstelling heet deze grenswaarde
Acute Referentie Dosis (ARfD). Deze maar liefst 100-voudige veiligheidsfactor
is zeer effectief gebleken voor de bescherming van de gezondheid
van mensen.
Vaststellen van de blootstelling aan
het gewasbeschermingsmiddel via de consumptie van voedsel.
Om de blootstelling te kunnen vaststellen, moeten we het eerst
het volgende weten:
Voedsel: wat en hoeveel?
Hoeveel en wat we eten wordt geschat aan de hand van dieettabellen
die de overheid gebruikt. Met behulp van voedselconsumptiepeilingen
wordt onderzocht hoeveel van een bepaald voedingsmiddel volwassenen,
kinderen en baby’s consumeren. Het is bekend dat vegetariërs en
bepaalde culturele groepen afwijken van het gemiddelde voedingspatroon.
Hierover wordt steeds meer informatie verzameld.
Hoeveelheid residu:
De hoeveelheid residu dat in het voedsel kan voorkomen, wordt
gemeten in residustudies voor alle gewassen waarvoor het middel
wordt gebruikt. Residuproeven worden uitgevoerd volgens internationale
richtlijnen in het veld, in kassen en tijdens het bewaren. Deze
gaan uit van een 'worst case scenario'. Dit betekent dat de residuniveaus
worden bepaald met studies waarin het middel met een maximale
dosering en een maximaal aantal toepassingen is gebruikt. Bovendien
zo lang mogelijk, tot aan het tijdstip voor de oogst dat noodzakelijk
is om de plaag of ziekte te bestrijden. Met andere woorden: de
studies simuleren een extreme situatie van plagen en ziekten,
die in de praktijk weinig voorkomt.
De blootstelling vergelijken met de
gezondheidsnorm.
Tot slot vergelijken (inter-)nationale autoriteiten de mogelijke
blootstelling met de gezondheidsnorm (ADI en ARfD). Dit ter bevestiging
dat het risico aanvaardbaar is en er geen gezondheidsrisico’s
voor de consument worden verwacht. Zowel voor de blootstelling
op korte als lange termijn moet bewezen worden dat het middel
veilig is.
Toegelaten:
Een gewasbeschermingsmiddel in een bepaald gewas wordt op basis
van de Bestrijdingsmiddelenwet alleen toegelaten als er voldoende
veiligheidsmarge zit tussen de verwachte blootstelling en de vastgestelde
gezondheidsnorm. Pas en alleen dan mag het middel daadwerkelijk
in de praktijk gebruikt worden.
De gegevens uit de residustudies worden niet alleen gebruikt
om de blootstelling te berekenen. We gebruiken ze ook om de normen
voor residuen vast te stellen.
Wat is een residunorm?
De residunorm is het wettelijk toegestane maximale residugehalte
van een gewasbeschermingsmiddel in voedsel of veevoer. Ook wel
bekend als de MRL (maximale residulimiet). Let op: residunormen
zijn geen gezondheidsnormen. Ze staan voor residuniveaus die onwaarschijnlijk
schadelijk kunnen zijn voor de consument.
Hoe vastgesteld?
Residunormen worden afgeleid uit proeven waarbij een gewasbeschermingsmiddel
maximaal wordt ingezet om zelfs onder hoge druk van ziektes, plagen
of onkruiden een goede oogst te garanderen. Naast de residunorm
wordt ook een bepaalde veiligheidstermijn wettelijk voorgeschreven.
Dit is de minimale tijdsperiode tussen de laatste toepassing van
het middel en de oogst. De residunorm, in combinatie met de veiligheidstermijn,
wordt alleen dan geaccepteerd als blijkt dat het residuniveau
veilig is voor de consument. Is dit niet het geval, dan wordt
het middel niet toegelaten. Wat dan rest, is het gebruik van het
middel zó aan te passen dat het een aanvaardbaar residuniveau
heeft.
Internationaal verschillend
Residunormen worden nationaal vastgesteld. Er wordt gekeken naar
hoe het middel volgens goed landbouwkundig gebruik in het betreffende
land wordt toegepast. Elk land heeft dus zijn eigen residunormen
die onderling kunnen verschillen. Alle gewassen die worden geëxporteerd
moeten voldoen aan de residunormen van het land van import. Residunormen
zijn dus ook handelsnormen. Vaak vormen ze een handelsbelemmering.
Dat is de reden waarom binnen Europa de residunormen op dit moment
geharmoniseerd worden. Op mondiaal niveau stelt de Commissie CODEX
Alimentarius van de World Health Organization/Food Agricultural
Organisation (WHO/FAO) residunormen vast. Deze worden helaas niet
door alle landen erkend.
Een residunorm is een berekende waarde:
de formule is zo ontworpen dat de uiteindelijke residunorm
altijd hoger is dan de hoogst gevonden waarde in de residuproeven. |
| |
Voordat
een gewas of voedingsmiddel bij de consument terechtkomt, wordt
op verschillende punten in de voedselketen het residuniveau van
het gebruikte gewasbeschermingsmiddel gecontroleerd. Dit gebeurt
met monitoringsprogramma’s van de overheid. In Nederland is de
Keuringsdienst van Waren hiervoor verantwoordelijk. Ook de voedingsmiddelenindustrie
en handel controleren op residuen.
Waarom residucontrole?
Het belangrijkste doel van de residucontrole is zeker te stellen
dat het residugehalte in de praktijk de wettelijk toegestane residunorm
niet overschrijdt. Zo wordt gegarandeerd dat de consument geen
risico loopt. Het monitoringsprogramma is niet willekeurig, maar
richt zich op die gewassen en voedingsproducten waarvan de kans
reëel is dat er residuen in worden gevonden, óf waar vragen over
zijn gesteld.
Residumonsters
Residumonsters worden regelmatig genomen bij middelen, die vlak
voor de oogst of tijdens de bewaring van het gewas zijn toegepast.
Verder vindt er een uitgebreide monitoring plaats van ons basisvoedsel
zoals tarwe, aardappelen en melk. Ook van een middel dat pas is
toegelaten, kunnen extra monsters worden genomen.
Internationale monitoring
De meeste nationale overheden voeren geregeld controles uit om
residuen van gewasbeschermingsmiddelen in voedingsmiddelen op
te sporen. Zo loopt er in de Europese Unie een monitoringsprogramma,
waaraan vijftien Lidstaten plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein
meedoen. In 2002 zijn er maar liefst 46.000 monsters gecontroleerd
in Europa. De bevindingen van de programma’s worden in elk land
gepubliceerd. Aanvullend controleren ook de voedingsmiddelenindustrie
en handel uitvoerig op residuen van gewasbeschermingsmiddelen.
Residuoverschrijdingen
Residuoverschrijdingen kunnen tot ongerustheid leiden bij de consument.
Goed om te beseffen is dat, wanneer een residunorm overschreden
wordt, dit niet automatisch betekent dat de gezondheid van de
consument in gevaar is (zie ook vraag 12: 'Is een incidentele
overschrijding van een residunorm schadelijk?').
De blootstelling aan residuen van gewasbeschermingsmiddelen is
erg gering of nul. Dit blijkt uit de residumonitoringsprogramma’s.
Bovendien wordt de consument erg goed beschermd door de huidige
wetgeving.
Geïntegreerde teelt
Het
residugehalte in voedsel hangt af van het tijdstip waarop en de
omstandigheden waarin de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Hierdoor kunnen precieze teeltmethodes zoals geïntegreerde teelt
in de meeste gevallen ervoor zorgen dat het residugehalte daalt.
Geïntegreerde teelt staat voor een teeltsysteem waarbij producten
van hoge kwaliteit worden geproduceerd op economisch, milieutechnisch
en sociaal verantwoorde wijze. In geïntegreerde teelt worden plagen,
ziekten en onkruiden voorkomen of bestreden met de meest geschikte
techniek of methode. Dit kunnen ook cultuurtechnische, biologische,
biotechnologische, mechanische en chemische maatregelen zijn.
Duurzame landbouw
De algemene regel voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
bij geïntegreerde teelt is: ‘Zo veel als minimaal nodig is’. Door
minder chemische gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, is de
verwachting dat ook het residugehalte in voedsel daalt. Het verantwoord
gebruik van deze middelen binnen geïntegreerde teelt is een sleutelelement
van de duurzame landbouw in de hele wereld. Syngenta steunt actief
de ontwikkeling en implementatie van geïntegreerde teelt.
Andere oplossingen
Wat zorgt er nog meer voor dat de consument minder aan residuen
wordt blootgesteld?
- Een belangrijk deel van de residuen zitten in de niet-eetbare
delen van het gewas, bijvoorbeeld in de schil van bananen of
sinaasappels. Residuen die achtergebleven zijn in de eetbare
delen kunnen verminderd worden of helemaal verdwijnen door het
gewas te wassen of te verwerken (zoals koken).
- Wanneer gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, wordt in
de meeste gevallen een lagere dosering of lagere toepassingsfrequentie
gebruikt dan is voorgeschreven. Bedenk dat residunormen gebaseerd
zijn op een maximaal gebruik.
Vaak wordt ervan uitgegaan dat biologisch geteeld voedsel beter
en veiliger is dan voedsel waarbij gewasbeschermingsmiddelen zijn
gebruikt. Laten we eens kijken naar het totaalplaatje.
Biologische landbouw
De biologische landbouw is een vorm van duurzame landbouw waarbij
in principe geen synthetische gewasbeschermingsmiddelen worden
gebruikt. De interesse en de vraag naar biologische producten
is de afgelopen jaren sterk toegenomen. In veel ontwikkelde landen
kopen de consumenten steeds meer en vaker biologische producten.
Ondanks dit succes is de biologische productie nog altijd een
nichemarkt van de totale markt van verse producten en voedingsmiddelen.
Lagere oogstopbrengsten
De oogstopbrengsten bij biologische landbouw zijn lager dan van
de traditionele landbouw. Biologische landbouw kan hierdoor niet
op grote schaal op een duurzame manier worden toegepast en tegelijkertijd
voldoende kwalitatief voedsel tegen een redelijke prijs produceren.
Als heel Europa zich biologisch zou voeden, dan moet 28 miljoen
hectaren extra grond worden bewerkt. Dit is gelijk aan het totale
bosoppervlak van Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Groot-Brittannië.
Het spreekt vanzelf dat dit invloed zou hebben op het landschap,
de wilde flora en fauna. Dergelijke effecten moeten meegenomen
worden in de beoordeling van de duurzaamheid van een teeltmethode.
Veiliger...?
Wat betreft voedselveiligheid is het Britse Food Standards Agency
(Bureau voor Voedingsnormen) van mening dat het niet bewezen is
dat biologisch geteelde voedingsmiddelen qua veiligheid en voedingswaarde
verschillen van traditioneel geteelde producten (UK FSA, 2000).
Als heel Europa zich biologisch zou
voeden, dan moet 28 miljoen hectaren extra grond worden
bewerkt. Dit is gelijk aan het totale bosoppervlak van Frankrijk,
Duitsland, Denemarken en Groot-Brittannië. |
| |
De manier waarop een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt,
verschilt van land tot land. Dit heeft te maken met het feit dat
er verschillen in ziekte- en plaagdruk zijn, afhankelijk van het
klimaat. Om deze verschillen te compenseren, varieert het voorgeschreven
gebruik van de middelen per land. Dit leidt tot verschillende
residunormen. De residunorm wordt vastgesteld op basis van het
aanwezige residu dat bij de oogst of na het bewaren in de residuproeven
gevonden wordt. Dit terwijl rekening wordt gehouden met de vereiste
veiligheidsmarge. Alleen wanneer de risicobeoordeling aantoont
dat de residunorm geen risico vormt voor de consument, wordt een
middel toegelaten (zie ook vraag 6: ‘Wat zijn residunormen en
hoe worden ze vastgesteld?’).
De
term ‘importtolerantie’ is een residunorm van een gewasbeschermingsmiddel
dat niet wordt gebruikt in het land van import. Dit komt bijvoorbeeld
voor bij importgewassen die niet in het land van invoer worden
geteeld. Voor Nederland zijn dit exotische fruitsoorten zoals
nectarine, ananas en banaan. Verder worden importtoleranties vastgesteld
voor geïmporteerde levensmiddelen die uit een land komen waar
de teeltomstandigheden anders zijn en andere gewasbeschermingsmiddelen
worden gebruikt. Bijvoorbeeld om een insect te bestrijden dat
niet voorkomt in het land van import. De residunormen voor importproducten
worden op dezelfde manier vastgesteld als voor nationaal geteelde
producten. Ook geïmporteerde producten worden gemonitord, om te
controleren of ze voldoen aan de importtolerantie. Ze zijn dus
veilig voor consumptie.
In de meeste gevallen is een overschrijding van een residunorm
niet schadelijk, omdat de residunorm niet gelijk is aan de gezondheidsnorm.
Bovendien is deze zo vastgelegd dat er een ruime veiligheidsmarge
is tussen de gezondheidsnorm en residunorm.
Erg voorzichtige norm
Residunormen
worden bepaald aan de hand van zorgvuldig uitgevoerde veldproeven
waarbij de maximale dosering van het middel in combinatie met
het maximaal aantal toegestane toepassingen wordt gebruikt. Dit
terwijl een minimale tijdsperiode tussen de laatste toepassing
en de oogst in acht wordt genomen. De residuwaarden uit de proeven
worden ingebracht in een wiskundige formule waarmee de residunorm
wordt berekend. De berekende residunorm is altijd hoger dan de
hoogst gevonden residunorm uit de veldproeven. In de risicobeoordeling
voor de consument worden dus ruime veiligheidsmarges ingebouwd.
Belangrijke wetenswaardigheden
- De residunorm is geen gezondheidsnorm.
- De residuwaarde zal de residunorm alleen overschrijden in
een aantal gevallen:
-Als de gebruiksaanwijzing bij het gebruik van het middel niet
wordt opgevolgd.
-Als het product is gebruikt op een gewas waarop het niet is
toegelaten.
-Als het een geïmporteerd product is waarvoor in het land van
herkomst een andere residunorm is vastgesteld dan in het land
van import. Als er een overschrijding wordt gevonden, worden
er maatregelen genomen om de kans op herhaling te voorkomen.
- Als de Voedsel en Waren Autoriteit/Keuringsdienst van Waren
of vergelijkbare instanties in andere lidstaten voedselproducten
vinden met risicovolle residugehaltes, dan wordt het Europese
Rapid Alert Systeem ingeschakeld. Dit systeem waarschuwt alle
Europese landen voor producten met te hoge residuniveaus. De
individuele lidstaten halen vervolgens die producten zo snel
mogelijk van de markt. Deze procedure is vastgelegd in regelgeving.
Volgens
de Europese richtlijnen mag verwerkte babyvoeding niet meer dan
0,01 milligram gewasbeschermingsmiddel per kilogram babyvoeding
bevatten. Verder is het gebruik van bepaalde middelen in granen
ingeperkt, wanneer dit graan wordt gebruikt voor babyvoeding.
Het is belangrijk te benadrukken dat deze gezondheidsnorm van
0,01 mg/kg geen wetenschappelijke basis heeft. Het is een algemeen
geldende en veilig bevonden norm. Anders gezegd: van toepassing
op alle gewasbeschermingsmiddelen, ongeacht hun giftigheid. Deze
norm houdt geen rekening met het daadwerkelijk risico op basis
van de blootstelling. Hoewel de wens om het residuniveau in babyvoeding
tot een minimum te beperken begrijpelijk is, moeten we ook het
belang van het behoud van een betaalbare, constante en kwalitatief
hoogstaande toevoer van voedselproducten in het oog houden.
Onder consumenten is er bezorgdheid over bepaalde combinaties
van gewasbeschermingsmiddelen die elkaar mogelijk versterken en
zo nadelige effecten kunnen hebben op de gezondheid. Wanneer iemand
een combinatie van een aantal chemische middelen binnenkrijgt,
zouden de nadelige effecten op de gezondheid groter kunnen zijn
dan de som van de effecten van de individuele gewasbeschermingsmiddelen.
In 1999 heeft de European Committee on Toxicity of Chemicals in
Food, Consumer Products and the Environment in het Verenigd Koninkrijk
het risico van gecombineerde residuen van gewasbeschermingsmiddelen
en diergeneesmiddelen in voedsel onderzocht. Dit op verzoek van
het Food Standards Agency (Bureau voor Voedingsnormen).
In hun rapport concludeert de commissie dat, hoewel effecten gevonden
kunnen worden bij hoge doseringen van middelcombinaties, het niet
waarschijnlijk is dat er een gezondheidsrisico is. Dit omgerekend
naar de veel lagere residuniveaus die gevonden worden in voedsel.
De commissie heeft wel om verder onderzoek naar effecten van combinaties
van middelen gevraagd. Dat geldt ook voor onderzoek naar het type
effect en de werking van de effecten bij combinaties van gewasbeschermingsmiddelen,
diergeneesmiddelen en andere gelijksoortige producten.
AMeer informatie over gewasbeschermingmiddelen kunt u vinden
bij de Voedsel en Waren Autoriteit (www.vwa.nl)
en het Nederlands Voedingscentrum (www.voedingscentrum.nl).
Voor het beste resultaat spuit u zodra er infectiekansen zijn
met Amistar in een dosering van 0,25 liter per hectare. Afhankelijk
van de duur van de teelt kunt u de bespuiting na 14 dagen herhalen.
Altijd mengen met 0,4 liter Shirlan per hectare om de knollen
te beschermen tegen Phytophthora
Omdat Alternaria een betrekkelijk nieuwe ziekte is, is niet iedereen
er goed in thuis. Syngenta heeft deskundige buitendienstmedewerkers
en die signaleren tijdig wanneer Alternaria optreedt. Aan de hand
van determinaties wordt ook de soort bepaald. Deze gegevens bespreken
we met uw leverancier van gewasbeschermingsmiddelen. In principe
kunt u dus altijd op dat adres terecht voor nadere informatie.
Juist vanwege ons landelijke overzicht en de jarenlange ervaring
met Alternaria kunt u uiteraard, eventueel samen met uw leverancier,
ook rechtstreeks bij ons terecht.
|